Geschiedenis Belgische lichtschepen
Werking lichtschepen
|
De eerste lichtschepen hadden in het midden van het schip een zware mast waarrond een lantaarn werd gehesen. De lichtbron bestond uit olielampen met parabolische reflectoren. Door de reflectoren in een andere stand te zetten kon de aard van het licht op een eenvoudige wijze veranderd worden. In het begin werkte men met een vast licht. Later werden de olielampen vervangen door gaslicht. Tenslotte ging men gebruik maken van de elektrische gloeilamp. Ieder lichtschip was herkenbaar door zijn eigen karakter (= specifiek lichtsein): na één of meerdere schitteringen volgde altijd een periode van duisternis. Door de hoge plaatsing van het licht boven het wateroppervlak, kon men het licht op grotere afstand waarnemen. |
|
![]() dagmerk |
Ook overdag was de herkenning van een lichtschip van belang. Daarom bevond zich boven in de mast ook een vast dagmerk. Daarnaast waren er nog andere mogelijkheden om het schip te identificeren zoals de kleur, die meestal rood was, en de naam van de positie die in grote letters op de romp gezet werd. Op het dek stonden naast de lichttoren ook één of meer masten met visuele signalen en de antennes voor het radiobaken. Hierdoor kregen de schepen een van ver herkenbaar profiel. De naam van het lichtschip werd meestal ontleend aan de ondiepte waarvoor het waarschuwde. |


Bemanningsleden
![]() aflossing van de bemanning |
De schepen die op zee werden uitgelegd kregen bemanning aan boord. De bezetting bestond gemiddeld uit 7 tot 13 personen, afhankelijk van de grootte van het lichtschip. De hoofdtaak van de bemanning was het onderhoud van het schip en de lichtinstallatie en de uitkijk naar eventuele scheeps- en vliegtuigongevallen. Tot de neventaken behoorden: het geven van waarschuwingsseinen bij stormwind, het verrichten van meteorologische- en stroomwaarnemingen, metingen van golfhoogte en controle van zeewater op olieverontreiniging. De bemanning van een lichtschip verbleef voor een periode van twee weken aan boord, daarna werden ze afgelost. |
|
Het leven op een lichtschip was vrij eentonig, om beurten had de bemanning de wacht en verrichtte onderhoud- en huishoudelijke karweitjes. Geregeld werden oefeningen gehouden met passerende schepen. Er werden ook weerrapporten opgemaakt en via de kustwacht per radio doorgegeven. |
![]() in de refter |

West-Hinder III


Wat is een vuurtoren?
![]() |
Zeelieden waren vroeger afhankelijk van bakens op de kust voor het uitstippelen van hun route. Vandaag de dag beschikt een zeeman over verschillende middelen om zijn positie en route te bepalen. Hij heeft moderne navigatiesystemen als het kompas, de radar, navigatieberichten, weerberichten en gegevens over getijde en stroming tot zijn beschikking.
Dat wil niet zeggen dat de vuurtorens geen enkele functie meer hebben. Ze zijn nog steeds een ideaal herkenningspunt en vormen een controle op de plaatsbepalingapparatuur aan boord. Vooral de recreatievaart maakt hiervan nog steeds gebruik. Zowel overdag als ’s nachts moeten vuurtorens duidelijk herkenbaar zijn voor de scheepvaart. Bij duisternis gebeurt dit doordat elke vuurtoren zijn eigen lichtritme (karakter) heeft. Overdag zijn ze herkenbaar door hun opvallende kleuren en een eigen patroon. |
Geschiedenis van vuurtorens
|
Al bij de Egyptenaren maakte men gebruik van vuurbakens. Zij waren ook de eersten die een vuurtoren bouwden. Beroemd is de Pharos van Alexandrië (280 voor Christus). Hij werd beschouwd als één van de zeven wereldwonderen.
Het waren de Romeinen die aan de kusten van Noord-Europa de vuurtorens introduceerden. De eerste exemplaren waren meestal geen torens maar grote, op een heuvel of duin gestookte vuren. De gloed van de vuren kon zelfs in mistige nachten gezien worden. Later maakte men gebruik van lantaarns waarin kaarsen geplaatst werden. |
![]() ![]() Oostende |
Werking vuurtorens
Vuurtorenwachter
![]() |
Lichtwachters hebben zich moeten aanpassen aan verschillende technische ontwikkelingen: van het eenvoudige “vuurtje-stoken” tot het gebruik van hoog technologische hulpmiddelen. Wat steeds hetzelfde bleef was het gebod: trouw op post.
Het werk van de eerste vuurtorenwachters was bijzonder zwaar. Het bestond vooral uit het aanslepen van brandstof en het onderhouden van het vuur. Met de komst van de Argandse lamp, kreeg de vuurtorenwachter het wat makkelijker. Tot zijn taken behoorden het onderhouden van de lamp en het schoonhouden van het systeem van spiegels en lenzen. De vuurtorenwachter woonde vaak vlakbij de toren en het beroep ging over van vader op zoon. |
KRANTENARTIKELS
NON-FICTIE
LINKS