
|
Ruimte
In een ruimte kan men zich bevinden, bewegen, men kan ze innemen, veroveren. Er is een ruimte rond elk persoon en voorwerp. ( Zie later bij de restvorm - negatieve ruimte - het niets.) Men kan zich vooraan, achteraan, boven of onder een ruimte bevinden. Een ruimte heeft altijd drie dimensies. De hoogte, de breedte en de diepte.
Men kan in een ruimte een andere ruimte creëren door er bijvoorbeeld muren in te plaatsen.
Ruimte op een plat vlak
Het probleem van ruimte komt pas echt naar voren, als we dit moeten weergeven op een plat vlak.
Door de eeuwen heen heeft men getracht dit probleem van ruimte op een plat vlak op te lossen. Ook nu zijn er nog verschillend kunstenaars die met dit probleem proberen om te gaan. Om dit probleem op te lossen moeten we beroep doen op truckjes om ruimte te suggereren.
Suggestie - Latijn: suggestio; inblazing.
Het ingeven van een idee of een gedachte.
Ruimtesuggestie: indruk geven van ruimte
-
Overlapping
Een voorwerp of persoon staat gedeeltelijk voor iets, waardoor er een deel van het achterliggend of achterstaand object onzichtbaar wordt.
-
Oversnijding
De kaderrand snijdt een deel uit de werkelijkheid, het kader snijdt dat af wat je niet meer ziet. Bij het trekken van een foto, gaat de fotograaf een deel uitsnijden van de omgeving. Bij een pasfoto, zie je alleen de "kop" van de persoon, de rest is weggesneden. De kader of bladrand snijdt dus boven, onder, links en rechts een deel weg.
Onze afbeelding staat tussen de kaderlijnen of bladranden.
Limieten kunnen dus ook ruimte weergeven.
zie Vorm - Limiet
-
Rangschikken van groot naar klein
De horizonlijn is de lijn waar aarde en lucht schijnen samen te komen. Op ons tekenblad loopt de horizonlijn evenwijdig aan de onderste en bovenste kaderlijn. Bij het aanbrengen van deze lijn bekomen we een diepte.
We vormen een ruimte op het platte tekenvlak.
Stel je voor dat iemand naast je een stuk krijt in zijn handen heeft.
Deze persoon gaat honderd meter van je staan, met datzelfde krijtje. Wat zie je? Het krijtje is kleiner geworden! Is dat zo? Nee, want bij het verplaatsen van dat krijtje gaat het krijtje niet krimpen. Het krijtje blijft gelijk, het lijkt echter kleiner geworden te zijn. Trouwens de persoon die het krijtje vasthoudt, lijkt in dezelfde mate verkleind te zijn.
Indien we een spoorweg naar het vluchtpunt op de horizon trekken hebben we hetzelfde probleem. De afstand tussen de spoorstaven blijft overal gelijk, toch hoe verder ze zich van ons verwijderen, hoe dichter de staven tegen elkaar lijken te liggen. Hieruit kunnen we besluiten dat hoe verder een voorwerp van ons staat, hoe kleiner het lijkt. Indien we het rangschikken van groot naar klein combineren met overlapping en oversnijding dan krijgen we nog een groter ruimte effect.
-
Kleurenperspectief
De koude kleuren lijken te wijken en de warme kleuren schijnen naar voor te treden. Schilders als Pieter Breughel die geen vormperspectief kenden pasten dit reeds toe in hun werk.
zie koud en warm contrast
-
Toonperspectief
Lichte en donkere kleuren of grijswaarden lijken elkaar af te stoten waardoor er een ruimtelijke indruk met diepte wordt geschept
zie licht en donker contrast
-
Vormperspectief
Dit perspectief kwam volop in gebruik tijdens de Renaissance van de 15de en 16de eeuw. Leonardo da Vinci was een van de kunstenaars die dit perspectief grondig ging bestuderen. Vanaf toen is dit perspectief niet meer weg te denken uit de beeldende vormgeving. Het vormperspectief heeft de bedoeling om de wereld weer te geven zoals we haar zien.
Bij het lijnenperspectief zijn er enkele afspraken waaraan we ons moeten houden.
- Horizon
Dit is de schijnbare scheidingslijn tussen lucht en aarde, of lucht en zee. Deze lijn ligt steeds voor ons op "OOGHOOGTE".
Sta je lager dan zakt de lijn. Klim je hoger dan stijgt de lijn. Als men op een plat vlak een horizon aan brengt dan schept men ruimte, diepte.
- 1 vluchtpunt
Het vluchtpunt bevindt zich steeds vlak voor je en op de horizon.
Het voorvlak, de voorzijde van het lichaam staat steeds evenwijdig aan de horizon en is steeds naar ons gericht.
| Alle lijnen die evenwijdig met de horizon lopen, blijven evenwijdig aan de horizon lopen en worden evenwijdig met de onder - of boven zijde van ons tekenblad getrokken. |
 |
Alle lijnen die verticaal lopen blijven overal verticaal staan en op het tekenblad worden deze evenwijdig aan de opstaande zijde van je tekenblad aangebracht. |
 |
Alle lijnen van een of meerdere lichamen die op de horizon gericht zijn, lopen naar dat ene vluchtpunt op de horizon. |
 |
Perspectief 2 vluchtpunten
De twee vluchtpunten bevinden zich op de horizon, het ene links en het andere rechts van ons standpunt dat tussen beide vluchtpunten staat. Om een normale weergave te bekomen plaatst men deze vluchtpunten zo ver mogelijk uit elkaar.
| Het volume staat steeds met één rib naar ons gericht. De 2 zijkanten zijn dus zichtbaar. |
 |
De boven - en de onderzijden van de linkerzijde lopen naar het linker vluchtpunt. |
 |
De boven - en de onderzijden van de rechterzijde lopen naar het rechter vluchtpunt. |
 |
LET OP !
- Alle lijnen die evenwijdig lopen met een lijn die naar één vluchtpunt loopt, lopen naar datzelfde vluchtpunt. Dit gebeurt bij alle figuren die we tekenen.
- Alle lijnen die verticaal staan blijven steeds verticaal staan en lopen evenwijdig met de zijranden van ons tekenblad.
|
|