Over ons Blog Contact
De bouwtechniek

(bijdrage van Michèle Devil)

Op de plaats waar nu het Torengebouw oprijst, stonden oude huizen die tijdens de beschieting van de stad Antwerpen op 7, 8 en 9 oktober 1914 in brand waren geschoten en gedeeltelijk in puin lagen. Eerst moesten dus de nog bestaande funderingen van deze woningen en zelfs lager liggende oudere grondvesten volledig worden afgebroken. Onder deze funderingen vond men enkele lagen weinig kleiachtig geel zand met schelpen en verscheidene lagen zwartachtig zand, waaronder Boomse klei tot op een diepte van 27 m. Het vraagstuk van de funderingen was dus bijzonder ingewikkeld, aangezien de steunpunten van het gebouw drukkrachten moesten stutten van circa 800 ton voor 25 verdiepingen. Architect Vanhoenacker heeft, doordat het zijn eersteling was, alles sterker gemaakt dan nodig. Daar de waterlaag zich op 3 m bevond en de tweede kelderverdieping (voor de brandkasten, de verwarming, de luchttoestellen, het pompstation) moest komen op een diepte van 6 m, werd afgezien van heipalen en de voorkeur gegeven aan een algemeen funderingsvlak over de hele terreinoppervlakte, ni. een massieve ondoordringbare funderingsplaat, 2 m dik onder de toren, 1 m elders, en helemaal van gewapend beton. Om verschuiving te voorkomen werd het hele terrein, op ongeveer anderhalve meter buiten de rooilijn met metalen damplanken van 8,5 m hoog ingedamd tot ongeveer 2 m onder de straatpas, terwijl een zelfde binnendam de grond onder het torengedeelte insloot. Deze palen waren 3,5 m lang en reikten tot ongeveer 6,10 m onder het straatpeil. De betonplaat werd berekend in vier verschillende stroken: twee delen ondersteunden de zijvleugels met 9 verdiepingen, één de toren met vijfentwintig verdiepingen en één de hal van de bank.

De drukking op de grond bedroeg in de meest ongunstige voorwaarden 3,400 tot 4,100 kg/CM2.

Deze plaat werd gegoten op een onderplaat van lichtgewapend beton om alle kleine oneffenheden van het grondvlak te nivelleren. Deze laatste was speciaal bestemd tot ondersteuning van de waterwerende laag, een on doordringbare kuip, die uit drie lagen asfaitvilt bestond en een kussen vormde dat doorliep tot boven de waterlaag. Het maximale waterpeil werd vooraf verlaagd door het boren van acht filterputten van 10 m diepte onder den uitgravingen. Op de vaste basis van de massale betonplaat werd het stalen geraamte opgericht. Hoewel in het buitenland het staalskelet reeds menige toepassing kende, was het voor Antwe pen de allereerste keer dat men er zich aan waagde. Vanhoenacker zegt aan P. Gilies:

"Pas de gratte-ciel sans ossature métallique... L'ossature métallique permet de construire verticalement en donnant aux murailles l'épaisseur minimum. Elle est toujours d'acier, le matériau le plus résistant. Passé 20 mètres, le béton armé devient difficilement praticable, étant donné le poids énorme et l'épaisseur de ce matériau synthétique la technique permet d'utiliser des procédés approuvés pour leur solidité et leur légèreté".

Zo bouwde Vanhoenacker in 1929 de Boerentoren. P. Gilles noemde hem 'Le protagoniste belge de l'architecture verticale".

Het was dus dit staalskelet dat de spanningen van het gebouw droeg; de opvullingen, hetzij in beton of in metselwerk hadden geen dragende functie. Minder hoge vleugels met 9 en 7 verdiepingen konden in principe worden uitgevoerd in gewapend beton, doch ook daar gebruikte de architect staal voor de homogeniteit.

Voor het geraamte werd 3.400 ton staal gebruikt. De gebinten werden niet aaneengelast maar aaneengeklonken met 180.000 schroeven en 430.000 klinknagels. Het bestond uit pijlers op afstanden van 3,5 m tot 5 m, samengehouden door liggers die eraan werden vastgeklonken en het geheel verstevigden. Deze pijlers moesten hoofdzakelijk weerstand bieden aan knik door samendrukking en waren gemaakt van stalen kolommen van het Grey-type. Tegenovergesteld aan de samengestelde profielen hadden deze het voordeel uit één stuk geplet te zijn en boden bijgevolg een homogene samenstelling.

De toren, die op zijn grondvesten zwaarder belast was dan de vleugels, werd helemaal afzonderlijk gebouwd en door kunstige ingrepen met de nevengebouwen verbonden. Er was namelijk voorzien dat de toren 5 cm zou zakken en om hem vrij te laten bewegen hebben ze hem los van de rest gebouwd. Zodoende kon hij scheuren noch instortingen veroorzaken. Het opstellen van de stalen vakwerkbouw vroeg vier maanden tijd, en werd verwezenlijkt door de firma Demag uit Duisburg.

Na dit werk werden de betonnen vloerbalken geplaatst op de stalen dwarsbalken. Zij hadden een gelijkvormige dikte van 9,5 cm. Het betonneren gebeurde met bekistingen in 'Farco Metal", waarop aan de onderkant een cementlaag werd gespoten om roest te voorkomen. Deze betonvloer-balken vormden als het ware het natuurlijke horizontale aanvulsel van het staalskelet. Op de begane grond werd het beton met graniet bekleed.

Het verticale aanvulsel van de toren werd door twee elementen gevormd: een inwendige bekleding in Boomse baksteen en een uitwendige bekleding in holle Molersteen van 5 cm dik. Deze vormden een brandwerende isolatie; de vrij gebleven ruimte tussen de twee bekledingen werd gebruikt voor de water-, gas- en verwarmingstoevoer, alsook voor de elektriciteitskabels. Als tweede veiligheidsmaatregel tegen brand plaatste Vanhoenacker de bovenste verdieping een waterreservoir waarin bestendig 230 M3 water aanwezig was. Deze reserve werd telkens automatisch aangevuld door de elektrische pompen die zich in de kelders bevonden. Aan de buitenkant was de waterverdeelkamer te herkennen door het koperen omhulsel. Het dak had een hellende bedekking van koperen platen. Bovendien werd nog een derde voorzorgsmaatregel getroffen om een snelle ontruiming mogelijk te maken: alle appartementen hadden een uitgang naar één van de twee metalen noodtrappen, die zich aan de buitenzijde van de gevel bevonden.

Het is interessant het materiaalgebruik bij de bouw te kennen. Wij geven hiervan enige benaderende gegevens:

- Uitgravingen:7.000 m³
- Baksteen: 4.700.000 stuks
- Kunstcement: 3.500 ton
- Supercement: 110 ton
- Rijngrint: 5. 000 m³
- Rijnzand: 5. 000 m³
- Scheldezand: 1. 000 m³
- Staalbouw: 3. 000 ton
- Stalen betonijzer: 500 ton
- Farco Metal: 18.500 m²
- Witte steen (Bourgogne): 1.400 m³
- Plaaster: 200 ton
- Molersteen (Denemarken): 6. 000 m²
- Schwenstein-steen (binnenmuren): 350. 000 stuks
- Stalen ramen: 2 000 m²
- Roodkoperen dakbedekking: 900 m² of 6 ton.

Het centrale gedeelte tekende zich af als een reusachtige massa, geflankeerd door vier schoormuren. Nochtans werd alle logheid vermeden en geeft het geheel een indruk van eenheid en statige kracht. De verticale lijnen stemden overeen met de pijlers van het geraamte. De verdiepingen, hoewel afzonderlijk behandeld, werden op een harmonische wijze met elkaar verbonden. Een verdieping meer of minder zou de aangename proporties van het monument geweld hebben aangedaan.

Vier liften en een binnentrap verzekerden de toegang tot de toren. De liften hadden een snelheid van 1,50 m per sec. en waren berekend om dagelijks 60 km af te leggen en circa 10.000 personen naar boven en naar beneden te voeren. De twee vleugels werden enigszins verschillend behandeld.

De basis bestond niet uit erkers maar uit bouw-windows tussen de stalen stijlen, terwijl de drie bovenste verdiepingen identiek met de toren waren. De twee kelders van de toren, waarvan de onderste gebruikt werd als ruimte voor de algemene voorzieningen (verwarming, verluchting, warmwaterinstallatie, pompstation e.d.) en de bovenste als café en als biljartzaal, kegelzaal en winkelruimtes, werden verdeeld in vierkante vakken, geschraagd door steunpilaren belegd met bewerkt eikenhout en overkoepeld met een zacht gewelfde zoldering.

De voorgevel van de toren aan de Schoenmarkt bestond uit zes grote pijlers die vooruitsprongen op het voetpad: de middenpijlers 0,85 m en de twee buitenpijlers 0,60 m.

De hoofdingang werd bekleed met zwart marmer en opgeluisterd met acht gestileerde monumentale beelden in Art Deco-stijl. Hij leidde naar een zeer ruime, heldere hal met loketten. Deze werd omgeven door een galerij voor de kantoren. In en om deze hal werden alle afdelingen van de bank gecentraliseerd. Het plafond werd uitgewerkt als een enorme lichtkoepel. 's Avonds zorgde het verlichtingssysteem voor een diffuus licht. Kleine vierkante en langwerpige vensters vervolledigden de natuurlijke verlichting. Een brede trap met een leuning van verchroomd koper verleende toegang tot de kluis.

De kantoren voor de administratie van de bank lagen aan de kant van de Beddenstraat. Deze privé-kantoren waren met marmeren muurplaten en uniform gedecoreerd.

Een monumentale trap bracht de bezoekers van de begane grond naar de eerste verdieping. Daar bevond zich een zeer ruim Chinees salon van de theefirma Cuperus, waar grote gekleurde vazen, draken, leeuwen, boeddhabeelden en stijlvolle lampen de bewondering van de gasten afdwongen. Hier was het absoluut nodig de buitenpijlers aanmerkelijk te verzwaren, omdat steunpunten in het midden van de zaal om de 23 daarboven gelegen verdiepingen te schragen, de gaafheid van de tearoom zouden hebben geschaad.

Vanaf de zevende verdieping werden, als beschutting tegen wind en storm, dubbele spiegelruiten in de stalen omlijsting van deuren en ramen aangebracht. In eik appartement werden afvalkokers geplaatst. Ook voor de post werd een systeem met kokers toegepast.

Tot besluit kunnen we nog aanstippen dat de werken aan het Torengebouw ruim 3 jaar duurden. In februari 1929 begon men met het graafwerk. Het metalen geraamte nam vier maanden in beslag, van 25 oktober 1929 tot einde februari 1930, zodat men op 15 maart 1930 kon beginnen met het metselwerk. Op 1 september 1930 waren de winkels op de benedenverdieping bezet. De torenkelder werd geopend op 15 december van hetzelfde jaar. Het grootste gedeelte van de kantoorruimte was in gebruik rond juli 1931. De definitieve oplevering van het gebouw geschiedde op 24 december 1931. Op 19 maart 1932 werd de panoramazaal voor het publiek toegankelijk gesteld en op 29 maart verhuisde de bank van de Lange Nieuwstraat naar het nieuwe Torengebouw.

Naar boven







Info lesmap

In deze lesmap komt de ganse geschiedenis van de Antwerpse Boerentoren aan bod, van aanloop tot de bouw tot de volledige facelift.